Neu Prick



Steenkolenmijn


Dit is een voormalige mijn tussen 1838 en 1904 aan de huidige Pricksteenweg.
Het gebied wordt dan Prickveld genoemd. Neu Prick is de benaming van de particuliere mijn tijdens de Franse tijd. Daarvoor heet de mijn Prickpoul. Op 11 juni 1846 staakt de mijn voorlopig haar productie, maar herstart in 1858. Op 1 oktober (een Staatsmijnblad vermeldt 1 september) 1904 staakt de mijn definitief de productie.

Geschiedenis



1801 – De steenkoolconcessie Neu Prick wordt op 1 januari 1801 door de heren Vinken, Loef en Griefhuis aangevraagd.
1802 – Om zijn schulden te kunnen betalen wordt Augustinus Goswinus Poyck in 1802 gedwongen kasteel Erenstein te verkopen en zodoende raakt hij ook zijn aandelen in de Prickkoul kwijt. Ten tijde van de Franse bezetting worden verder een tweetal particuliere aanvragen toegestaan.
1808 – Op 2 februari wordt aan de dames De Roy voor de duur van vijftig jaar concessie verleend voor de exploitatie van het veld Bleijerheide. De Prickköhler wordt, eveneens voor de duur van vijftig jaar, concessie verleend voor het Prickveld, in 1813 hernoemd tot Neu Prick. Naar aanleiding van sterk dalende kolenprijzen en de nieuwe grensverhoudingen, waardoor een belangrijk afzetgebied verloren is gegaan, volgen aanvankelijk enkele moeilijke jaren. Pas nadat de Luikse grootindustrieel Charles James Cockerill de helft van de aandelen in handen krijgt, is het financieel mogelijk technische verbeteringen en nieuwe ontsluitingen door te voeren.
1852 – De mijnen Bleijerheide en Neu Prick worden overgedragen aan de Pannesheider Bergwerksverein, terwijl ze in 1858 opgaan in de Duitse Vereinigungsgesellschaft für Stein kohlenbergbau im Wurmrevier. Hoewel het concessiegebied in verhouding vrij klein is, is de productie van de Neu Prick in 1882 bijna gelijk aan die van de Domaniale Steenkolen Mijnen. Het veld Neu Prick is in die tijd enkel ontsloten middels de Catharinaschacht. De waterafvoer en luchtzuivering is door middel van een steengangverbinding op de 210-meter verdieping met de Duitse mijn Neu Voccart gecombineerd, hetgeen een belangrijk kostendrukkend aspect vormt. De gang is met twee getraliede deuren afgesloten en door de douane verzegeld om smokkel tegen te gaan.
1883 – Het veld Neu Prick wordt op last van Konging Willem III samengevoegd met het veld Bleijerheide, hetgeen een concessie oplevert ter grootte van 89 hectare. Op het moment dat de Domaniale Mijn de productie op de 270-meter verdieping opgeeft verdrievoudigt de watertoevloed op de Neu Prick. Ten gevolge van de zo ontstane wateroverlast is een lonende verdere exploitatie onmogelijk en wordt de ontginning in 1904 gestaakt. Nog slechts een jaar eerder bereikt men met 62.000 ton de hoogste netto-jaar productie in de geschiedenis van de mijn.
1960 – In 1960 wordt de concessie Neu Prick-Bleijerheide opgekocht door de Domaniale Mijn Maatschappij.

Omgekomen ondergrondse mijnwerkers


  • W. Thomas (1890)
  • A.J. Körfer (1893)

Deel dit artikel:
Bijgewerkt: 19 november 2020
642 x gelezen

Aanvullende informatie of wijzigingen zijn altijd welkom en kunnen worden ingevuld in het onderstaande veld.

Let wel, wij kunnen u niet doorverwijzen of contactgegevens verstrekken over de persoon of personen waar het artikel over gaat.

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *