Mijnbouw, Termen

Deze pagina bevat namen en verklaringen van een aantal veel voorkomende termen die voorkomen in de Mijnbouw. Deze termen zijn zowel in het Nederlands als (inden nodig) in het dialect. Wanneer de beschrijving van de term te veel plaats inneemt, is daarvoor een aparte pagina aangemaakt.

A

Afbouwhamer – een met perslucht aangedreven apparaat voor het losmaken van steenkool. Tot 1914 gebeurt dit met een pikhouweel. Vanaf 1945 wordt de steenkool op mechanische wijze uit de steenkoollaag verwijderd en raakt de afbouwhamer in onbruik. Het losmaken van de steenkool gebeurt door de houwer.
Afsluitdeuren – Deze ondergrondse deuren in een mijngang blokkeren de luchtstroom tussen de in- en uittrekkende lucht-schacht waardoor de luchtstroom naar andere plaatsen in de mijn geleid wordt.
Ath – Waterkanaal

B

Beerkank – Dit is een lokale benaming voor een vertikale schacht in het mijnbedrijf waarin een tegengewicht van een liftkooi op en neer beweegt.
Berg – Het plafond van een horizontale- of diagonale mijngang.
Bergjees – Letterlijk betekent dit berggeest. In het mijnbedrijf heeft het de betekenis van schuivend gesteente.
Bewettere – Om voor voldoende zuurstof in de mijngangen te zorgen dient er een ventilatiesysteem aanwezig te zijn. Het ventileren zelf wordt aangeduid met deze term.
Blazen – Wanneer uit een mijngang de steenkool verwijderd is, wordt de gang opgevuld met afval, gemalen steen en andere zaken. Dit wordt blazen genoemd. Dit wordt gedaan om tegen te gaan dat het plafond gaat verzakken.
Blazer – Wanneer steenkool of ander gesteente uit de kolenwand vrijkomt, ontsnapt uit de scheuren die ontstaan steengas. Dit gas wordt blazer genoemd.
Blech – blikken koffiekan.
Boeteren – schaften, pauzeren
Bok – Het ondersteunen van het dak van een mijngang door het opeen stapelen van houtblokken, stukken rails of anderszins.
Buunplaat – Dit is een lokale benaming voor een draaischijf waarop kolenwagens geplaatst worden, om ze van richting te doen veranderen.

D

Davylamp – Dit is een mijnlamp voor het opsporen van mijngas, zoals die veelvuldig gebruikt wordt in het begin van de 19e Eeuw. Wanneer de verhouding mijngas/zuurstof verandert, verandert ook de kleur van de vlam. Wanneer de concentratie mijngas overheerst, dooft de lamp. De lamp is genoemd naar de ontwerper ervan. De lamp wordt voor het eerst gedemonstreerd op 9 november 1815 in de Royal Society te Londen en is voor de veiligheid van de mijnwerkers en de verlichting van de mijngangen van grote betekenis. In de periode daarvoor wordt de olielamp gebruikt. De ontwerper, Davy Humphrey, is natuurkundige, wordt geboren op 17 december 1778 en overlijdt in 1829.
D’r Auwe – Lokale benaming voor het afgebouwde gedeelte van een pijler.

H

Hond – Dit is een van twijgen gevlochten korf, bestemd voor het kolenvervoer. De korf wordt aan een touw door een sleper door de gangen getrokken tot aan de schacht, waar het geheel naar boven wordt gehaald. Dit gebeurt in een vooralsnog onbekende periode voornamelijk in de steenkoolmijnen in het Wormdal.
Houwer – Deze mijnwerker is belast met het losmaken van de steenkool door gebruik making van een pikhouweel of een afbouwhamer.

K

Kardinaalshoed – Hoofddeksel voor mijnwerkers dat zo genoemd wordt vanwege de grote gelijkenis met de echte Kardinaalshoed.
Koelstamp – Dit is een ontgroening voor een toekomstige mijnwerker die voor het eerst ondergronds gaat werken. Hij wordt bij deze handeling door zijn toekomstige collegae “gedoopt” door hem een platte schop op zijn achterste te leggen waarop met een zware hamer een flinke klap gegeven wordt.
Koolwand – Nadere informatie volgt

M

Mijnlamp – Bijna vanzelfsprekend wordt de mijnlamp in de mijn gebruikt voor de verlichting van de werkplek. Hoewel het belang van de lamp zeer groot is, gaat de ontwikkeling van de lamp heel langzaam. In de begintijd van de ondergrondse mijnbouw wordt er nog voor licht gezorgd door het gebruik van kaarsen. Vogels moeten dan voor de aanwezigheid van mijngas waarschuwen. Later zorgt Davy voor een lamp die voldoende licht geeft en tevens controleert op de aanwezigheid mijngas. De Davylamp wordt pas op 3 december 1820 in de Kerkraadse mijnen in gebruik genomen. De elektrische mijnlampen worden hier vanaf 8 april 1928 gebruikt.

P

Pijler – Een pijler, (Limburgs: sjtreeb), is een gestutte gang in een kolenlaag van een ondergrondse mijn. Pijlers zijn de hoofdwinplaatsen van de kolen. De koolwand van de pijler waar de steenkool wordt gewonnen wordt ook wel het kolenfront genoemd.

S

Steenknip – Een steenknip wordt ook wel steenwig of Steinknipp genoemd. Dit is een steenkoollaag waarvan van te voren bekend is, dat het dak van de laag in een slechte staat verkeerd.

W

Waschberger – gemalen steen, gebruikt voor het blazen van een pijler.
Wasserij – onderdeel van de bovengrondse gebouwen van een mijn. Hier wordt de steenkool van de stenen gescheiden.
Waterpatroon – In de mijnbouw wordt een waterpatroon bij het schieten van een wand gebruikt om stofvorming tegen te gaan, dit, vaak in combinatie met sproeiers. Omdat de mijnwerkers de patronen vaak leegdrinken, is men op gegeven moment over gegaan tot het toevoegen van kleurstof aan het water.
Weyerleuth – De natte gedeelten van een mijn.

Delen:
Deel dit artikel per mail










Verzend
laatste update doorMartin Krewinkel op 14 november 2020
70 x gelezen

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *